De aarde is geen petrischaaltje. 10 miljard mensen hoeft geen probleem te zijn.

Date: 1 januari 2017

…. Op naar de tien miljard. In 2065 zouden er tien miljard mensen op aarde leven. Zijn daarmee ‘de natuurlijke grenzen’ overschreden? Geenszins. De planeet kent geen natuurlijke grenzen. (De Groene Amsterdammer, 29 juli 2015)

In de jaren zestig hingen op nogal wat scholen posters met daarop een wereldbol, afgeladen met mensen. Zo vol dat ze er aan alle kanten vanaf tuimelen. Het is een sterk beeld uit een tijd dat de wereldbevolking nog maar ruim drie miljard mensen telde.

Het was ook een idioot beeld. Want had je die ruime drie miljard mensen netjes naast elkaar gezet, iedereen op een tegel van een vierkante meter, dan hadden zij ongeveer 3000 vierkante kilometer in beslag genomen. En dat is zo ongeveer het grondgebied van de provincie Gelderland. Vandaag zijn we met 7,5 miljard mensen. En zou je ons opnieuw netjes naast elkaar zetten, dan nemen we met zijn allen op 7500 vierkante kilometer in, zo ongeveer de oppervlakte van Limburg en Noord-Brabant samen. Op de rest van de aardbol is dan geen mens meer te bekennen.

De komende 50 jaar groeit de wereldbevolking door naar de tien miljard, een aantal dat we gemakkelijk kwijt kunnen in de provincies Groningen, Friesland, Drenthe en Overijssel. Het is een toename van 38 procent. En waarschijnlijk zal het ons maar amper moeite kosten om rond 2065 ook deze extra drie miljard extra mensen fatsoenlijk te voeden, te huisvesten en van energie te voorzien.

Want de grootste bevolkingsgroei ligt inmiddels al achter ons. De afgelopen vijftig jaar steeg de wereldbevolking immers al van 3,3 miljard naar de huidige 7,2 miljard. Dat was een toename van maar liefst 118 procent. Vergeleken daarmee stelt die aanstaande toename van 38 procent een heel stuk minder voor.

En ook al neemt de bevolkingsgroei voorlopig nog wel even toe, die toename gaat steeds trager tot zij, waarschijnlijk rond 2075, tot stilstand komt. Of we de tien miljard werkelijk zullen bereiken, is zelfs nog maar de vraag. Want tegelijk met de bevolkingsgroei neemt al decennialang het geboortecijfer af. In 1965 baarden vrouwen wereldwijd gemiddeld 5 kinderen, vandaag zitten we net onder een gemiddelde van 2,5 kinderen per vrouw. In sommige landen  gaat het heel hard, zoals in Bangladesh, het dichtstbevolkte land ter wereld. Daar werden in 1965 6,7 kinderen per vrouw geboren. In 2014 waren het er nog maar twee. Veel Oost-Europese landen worstelen zelfs met een forse bevolkingsafname. Zo daalde de bevolking van Oekraïne in twintig jaar van 52 miljoen naar 42 miljoen.

Vooralsnog groeien we nog even door. En waarschijnlijk gaat ons dat goed bevallen. De groei van drie naar zeven miljard mensen beviel ons in elk geval prima. Verrekend met de inflatie verdient de gemiddelde wereldburger vandaag drie keer zoveel geld als in 1965. Ook wordt de gemiddelde wereldburger vandaag dertig procent ouder dan in 1965. De kans dat zijn jonge kinderen sterven, daalde daarentegen met maar liefst zestig procent. Hongersnood komt enkel nog voor in Afrika. En het aantal mensen met ‘structurele honger’ zakte wereldwijd van 49 procent naar elf procent. In 1965 leed 1,6 miljard van de 3,3 miljard mensen honger, vandaag zijn dat 795 miljoen van de 7,2  miljard.

 

Twee projecties door ‘Our World in Data’. In blauw: het aantal mensen op aarde zou in 2100 gestegen kunnen zijn tot bijna elf miljard. In rood: de afnemende groei van de wereldbevolking: vrouwen krijgen steeds minder kinderen. (Bron: Max Roser)

 

In alsmaar grotere delen van de wereld, profiteerde ook het milieu. Ondanks uitdagingen als de klimaatverandering, het verdwijnen van sommige soorten en de verzuring van de oceanen, zijn we in veel opzichten en stuk beter af dan in 1965. Ook in de tijd dat we nog maar met drie miljard mensen waren, veranderde het klimaat, verdwenen er soorten en verzuurden de oceanen. Maar toen woonden we, zeker in het Westen, ook nog eens in vuile en rokerige steden. Bovendien waren onze rivieren vervuild, stierven onze bossen, spoten we een gat in de ozonlaag en stonden we op het punt de walvis uit te roeien. En het milieu stond nog maar amper op de politieke agenda.

Vijftig jaar later zijn deze problemen vrijwel verdwenen. Miljoenen walvissen zwemmen weer door de oceanen en de rivieren zitten opnieuw vol vis. In Nederland groeide het bosoppervlakte met vijftig procent en is de lucht een stuk schoner dan in 1900. Grote delen van onze planeet zijn al drie decennia bezig te ‘vergroenen’. Zelfs in het dichtbevolkte Nederland geven we vandaag oude landbouwgebieden ‘terug aan de natuur’. Nogal wat wetenschappers denken dat deze vergroening mede te danken is aan de verhoogde uitstoot van CO2. Niet voor niets noemen we CO2 een ‘broeikasgas’.

Ontegenzeggelijk betekent de forse bevolkingsgroei een forse groei in de uitstoot van CO2 en daarmee gepaard gaande klimaatverandering. Zeven miljard mensen gebruiken nu eenmaal veel meer energie dan drie miljard. En die energie komt voor meer dan 80 procent uit het verbranden van fossiele brandstoffen.

De mogelijke gevolgen van de klimaatverandering zijn bekend. Er is een grotere kans op droogtes en overstromingen, op hittegolven en orkanen. Daarmee lijkt de toenemende wereldbevolking, door het toenemende gebruik van fossiele brandstoffen, direct verantwoordelijk voor een eveneens toenemend aantal natuurrampen. Het lijkt dan ook logisch dat de bevolkingsgroei gepaard gaat met een forse toename van ‘klimaat gerelateerde doden’ zoals dat officieel heet. Recente hittegolven in Pakistan, overstromingen in Georgië en tyfoons op de Filippijnen lijken daar inderdaad op te wijzen.

De koele cijfers laten echter iets heel anders zien. Het aantal doden en gewonden door droogtes en overstromingen, door hittegolven en stormen neemt al sinds mensenheugenis af. En niet met een paar percentages, of met enkele miljoenen mensen per jaar. Het is een afname van maar liefst 98 procent over de afgelopen tachtig jaar.

Tot ver in de jaren ’30 waren klimaat-gerelateerde doodsoorzaken aan de orde van de dag. In een uitzonderlijk rampjaar als 1932 verloren rond de vijf miljoen mensen wereldwijd het leven door blootstelling aan een wispelturig klimaat. In 2013 waren dat rond de 30 duizend mensen. En dat terwijl de wereldbevolking in diezelfde tijd verviervoudigde. Om het anders te formuleren: de kans dat vandaag iemand sterft door een ‘klimaat gerelateerde’ oorzaak, is vijftig keer kleiner dan tachtig jaar geleden.

Sinds de jaren ’20 weten we hoeveel mensen omkwamen door klimaat-gerelateerde oorzaken. In die jaren ’20 waren het jaarlijks rond de 485 duizend. Per miljoen mensen stierven er dus 241 aan droogte, overstromingen, tornado’s etcetera. In de jaren ‘0 van deze eeuw was dit gezakt tot 36 duizend klimaatdoden per jaar. Nu stierven nog maar vijf mensen per miljoen door toedoen van het klimaat. (Bron: Goklany)

 

Het zijn ongelooflijke, contra-intuïtieve cijfers. Het zijn immers cijfers die volledig in strijd zijn met wat ons dag-in, dag-uit wordt voorgehouden door klimaat ijveraars, nagepraat door een onkritische media die steevast verzuimt zelf eens achter de feiten aan te gaan. En dat terwijl ze voor iedereen beschikbaar zijn via de ‘International Disaster Database’ in Brussel. Het zijn cijfers die onlangs nog eens werden samengebracht door Amerikaanse klimaatexpert Indur M. Goklany in het makkelijk te googelen artikel ‘Wealth and Safety: The Amazing Decline in Deaths from Extreme Weather in an Era of Global Warming, 1900–2010.’

Vooralsnog heeft een fors toegenomen bevolking en idem dito toegenomen gebruik van fossiele brandstoffen ons blijkbaar veel minder kwetsbaar gemaakt voor de nukken van het klimaat. Of dat klimaat nu verandert of niet. De verklaringen voor het verschijnsel liggen voor de hand. Meer mensen betekent ook een enorme toename van geld, specialismen en goedkope technologie. We ontwerpen alsmaar sterkere dijken tegen overstromingen, slimmere irrigatiesystemen tegen droogtes en efficiëntere maatregelen bij aangekondigde orkanen.

Bovenal danken we onze veiligheid aan dat vermaledijde verbranden van fossiele brandstoffen. Daarmee veroorzaken we weliswaar een verandering in ons klimaat, naar door die hoge energieconsumptie kunnen we ons ook beter tegen het klimaat beschermen. Met fossiele brandstoffen produceren we aardbevingbestendige stalen contructies voor flats, veilige auto’s op al even veilige autowegen, en voldoende kunstmest om tien miljard mensen aan de obesitas te helpen. Of de temperatuur nu fors toeneme of sterk daalt, dankzij olie, kolen en gas zetten we simpelweg de airconditioner of verwarming en standje hoger.

Met duizenden van deze stormbunkers, met ‘early warning systems’ en door het ophogen van dijken, wist Bangladesh het aantal slachtoffers van cyclonen met 98 procent terug te dringen. (Bron: World’s Best News)

 

Toch noemt niemand minder dan Jeffrey Sachs overbevolking een van de grootste problemen van dit moment. We moeten ons inspannen om de bevolkingsgroei sneller terug te dringen, schrijft Sachs in zijn nieuwe en monumentale boek ‘The Age of Sustainable Development’. En wanneer Sachs dat vindt, dan ís overbevolking een groot probleem. Want Sachs is een van de meest invloedrijke intellectuelen ter wereld. Sachs was betrokken bij het opstellen van de Millenniumdoelen, adviseert een dozijn Afrikaanse regeringen, schreef drie ‘New York Times Bestsellers’ over armoede en duurzaamheid en is de directe adviseur van VN-chef Ban Ki Moon. Niet zonder reden heeft zijn net verschenen boek nu al zo’n 250.000 verwijzingen op Google.

Centraal in ‘The Age of Sustainable Development’ staan onze ‘Planetary boundaries’. Het is een begrip dat in 2006 werd gemunt door de Zweedse wetenschapper Johan Rockström, volgens Sachs ‘the world-leading environmental scientist’. De aarde, zo schrijft Sachs in navolging van Rockström, kent negen ‘echte natuurlijke grenzen’, waaronder, bijvoorbeeld, de toename van broeikasgassen, een afnemende hoeveelheid zoet water en het verlies aan biodiversiteit. Wanneer we deze negen grenzen overschrijden, dan komt ons ‘veilige voortbestaan’ in het geding. En het slechte nieuws is, aldus Rockström, dat we zes van deze negen grenzen inmiddels al hébben overschreden waarmee ons voorbestaan nu al in het geding ís.

Belangrijkste oorzaak, volgens Sachs, is de snel gegroeide wereldbevolking. Vergeleken met onze voorouders, zo’n tweehonderd jaar geleden, is het aantal mensen niet alleen verzevenvoudigd, maar produceren en consumeren wij vandaag ook nog eens vier keer zoveel als zij deden. Geen wonder, aldus Sachs, dat het draagvermogen van onze planeet in het geding komt.

Sachs haalt de Britse dominee Thomas Malthus aan die in 1798 al voorzag hoe de bevolkingsgroei het belangrijkste probleem zou worden van onze tijd. En net als Malthus toen, pleit ook Sachs nu voor een sterke rem op de bevolkingsgroei. Maar dat moeten we alleen doen, zo benadrukt Sachs, met methodes die hand in hand gaan met mensenrechten en armoedebestrijding. Helaas maakt niet iedereen dit voorbehoud. Doorgaans leidt het doembeeld van een exploderende bevolking tot wrede opvattingen en bijbehorende maatregelen

 

Laten we hem Theo noemen. Dat past mooi bij zijn vak, docent Theologie aan een Nederlandse universiteit. Theo was begeleider van een groep studenten die in oktober 2005 met mij afreisde naar het Afrikaanse Malawi. En Theo, dat is in dit verhaal niet onbelangrijk, bleek zeer begaan met het milieu. Zo was hij gepromoveerd op een onderzoek we jongeren milieubewust kunnen laten denken en handelen. Want Theo maakte zich ernstig zorgen. Ons leefmilieu, zo vertelde hij ons, wordt aan alle kanten bedreigd. De lucht die wij inademen, het water dat wij drinken, de bodem waarop wij leven: alles is zwaar aangetast. En dat kon gebeuren omdat de mens steeds ruimer gebruik maakt van deze lucht, dit water en deze bodem voor het produceren en consumeren van zijn ‘levensmiddelen’.

Dat wij de lucht, het water en de bodem zo verpestten, had volgens Theo te maken met een ‘antropocentrische’ blik op de wereld. Een visie waarin de ‘Anthropos’, Grieks voor ‘mens’, centraal staat en niet de lucht, het water en de bodem. In zijn proefschrift pleitte Theo nu voor een ‘Ecocentrische’ visie. Daarin nam niet de mens een centrale plaats in, maar de Eco, van ‘Oikos’, Grieks voor ‘het huis’ van de mens, de aarde. Het huis wordt door zijn bewoners in hoog tempo uitgeleefd. Willen we er nog iets van over houden, dan zullen wij het huis moeten redden van zijn bewoners. Wat dit volgens Theo betekende voor de praktijk van alledag, zouden we al snel ervaren.

Sinds 2003 organiseer ik bij tijd en wijle ‘exposure tours’ naar Malawi. Ik stel mijn gasten bloot aan het volle leven in dorpen en sloppenwijken, in ziekenhuizen, politiebureaus, scholen, kerken en bedrijven. We eten samen, voetballen tegen elkaar en zitten tot diep in de avond ervaringen uit te wisselen. Malawi is zowel een dramatisch arm als overrompelend vriendelijk land. In de dorpen komen vrouwen je dansend tegemoet, in de illegale alcoholstokerijen, diep verstopt in de sloppenwijken, trakteren straatjongens je op gratis jenever.

In oktober 2005 was alles anders. De Verenigde Naties voorspelden een hongersnood waardoor in de eerste maanden van 2006 het leven van twaalf miljoen mensen ernstig werd bedreigd. Dat waren zeven miljoen mensen in Zambia, Zimbabwe en Mozambique en vijf miljoen in Malawi. Zoals de meeste hongersnoden in Afrika, was ook deze het gevolg van een fatale combinatie van een gebrekkig bestuur, onregelmatige regens en het simpele feit dat de landbouw in dit deel van Afrika niet is geïntensiveerd. In Malawi is een goede oogst eerder een godsgeschenk dan de uitkomst van een vastomlijnd productieplan.

Zomer 2015. Tien jaar na de hongersnood. Malawianen en Nederlanders nemen het in een voetbalwedstrijd op tegen elkaar. Oranje wordt ingemaakt.

 

Ik wist dus dat er een hongersnood op komst was. Maar ik wist niet dat deze in oktober al een feit was. Dat drong pas tot me door tijdens ons bezoek aan een basisschool met acht duizend leerlingen in Ndirande, de grootste sloppenwijk van het land. ‘Ndirande Primary’ leek leger dan anders. Opmerkelijk weinig kinderen renden rond. Francis Manjanja, het schoolhoofd dat ons bij eerdere bezoeken nog goed gemutst rondleidde, meldde dat kinderen al begonnen af te haken. Door de honger waren sommigen nu al te zwak om naar school te komen. Anderen werden door hun ouders naar vuilnisbelten gestuurd om voedsel te zoeken. Meester Manjanja vreesde dat tegen het einde van de honger tweeduizend van zijn achtduizend leerlingen zouden zijn verdwenen.

In de dorpen bleek de situatie al net zo dramatisch. Vrouwen kwamen ons niet meer dansend tegemoet en kinderen hingen apathisch tegen muren. Op het moment dat ik de chiefs begroette en omarmde, rook ik in hun adem de geur van aceton. En aceton, zo wist ik uit de literatuur, wordt aangemaakt door een lichaam dat zichzelf langzaam maar zeker begint te verteren omdat er niet voldoende voedsel binnenkomt.

Dat de situatie nijpend was, ging ook aan de studenten niet voorbij. Bedremmeld luisterden zij naar het relaas van meester Manjanja. Ze zagen hoe dorpelingen zich begerig rondom ons verzamelden in de hoop iets eetbaars te krijgen. Toen een student besloot om een aantal eieren uit te delen, gingen mensen met elkaar op de vuist.

 

Dat iets diende te gebeuren, was duidelijk. Dat wíj iets konden doen evenzeer. Zou het niet mogelijk zijn om de school van Francis Manjanja voor een half jaar van schoolpap te voorzien? Misschien konden we ook noodvoedsel laten aanrukken voor een of meerdere dorpen?

Die avond al zaten we samen met Manjanja, twee van zijn leraren en enkele Malawiaanse vrienden om plannen te maken. Een uitvoerend comité werd opgericht en een afspraak geregeld met het World Food Program van de Verenigde Naties. Enkele dagen later, terwijl de Malawiaanse vrienden al begonnen met het zoeken naar brandhout, kookpotten en mais, werd intensief met Nederland gebeld om 150 duizend euro bijeen te sprokkelen. Nog voor de kerst was het bedrag binnen. Uiteindelijk wisten we twee scholen met in totaal veertien duizend kinderen en twee dorpen met samen zestien duizend bewoners door de hongersnood te slepen.

[Video: schoolvoedsel in Malawi, een van de projecten die tijdens de hongersnood van 2005 werden opgestart. http://www.het-goede-doel.nl ]

 

Niet iedereen deed mee. Terwijl de meerderheid van de studenten overeind kwam en zich achter de hongerplannen schaarde, zette docent Theo de hakken in het zand. Niet alleen weigerde hij om zélf enige activiteit te ontplooien, hij weigerde ook om ons reisprogramma enigszins aan de hulpactie aan te passen. Hij weigerde zelfs om het overgeschoten reisgeld van de groep –zo’n 800 euro- in de hongerpot te storten.

Dat hij weigerde om de duizenden kinderen van de Ndirande Primary School aan schoolpap te helpen, was geen kwestie van luiheid of desinteresse. Integendeel. Theo noemde zich zeer betrokken. Maar, zo legde hij geduldig uit, we moesten begrijpen dat de honger die zich nu in Malawi openbaarde, niet uit de blauwe hemel kwam vallen.

Die honger, zo doceerde Theo, was een regelrecht gevolg van de aanwezigheid van teveel mensen in een te klein gebied. Ook al was de bevolkingsdichtheid van Malawi maar één-derde van bijvoorbeeld Nederland, het feit dat zoveel mensen hongerden, toonde onomstotelijk aan dat dit huis niet groot genoeg was voor zijn bewoners. Het voeden van de hongerigen zou dan ook louter uitstel van executie zijn.

Nu al kon de aarde het grote aantal mensen niet dragen, in de toekomst zou dat er zeker niet beter op worden. Daarom was het volgens Theo maar beter om ons nergens mee te bemoeien en die vijf miljoen mensen in rust en vrede te laten sterven. Uit zijn woorden begreep ik dat hij het zelfs als zijn morele plicht zag om de schoolkinderen van Ndirande te laten verhongeren. Je bakt nu eenmaal geen omeletten zonder eieren te breken. De 800 euro zou hij enkele maanden later uitgeven aan het produceren van een DVD met foto’s en filmpjes van onze reis.

 

Had Theo een punt? Nogal wat ecologen, biologen en milieukundigen menen van wel. Zij geloven dat een toenemend aantal mensen de natuurlijke hulpbronnen van de aarde uitput. Op termijn wordt daarmee de ‘draagkracht’ van de aarde ondermijnd. Honger en ondervoeding zijn dan onvermijdelijk. Een nieuw inzicht is dat niet. En dat geldt evenmin voor de daaropvolgende gedachte dat de bevolking krachtig moet worden teruggedrongen. Is het niet met respect voor mensenrechten, zoals bij Jeffrey Sachs, dan is het wel door mensen passief te laten sterven. Of door met geweld aan onze voortplantingsdrang een einde te maken.

‘Wat ons het meest bezig houdt, zijn nog wel de krioelende mensenmassa’s. Onze aantallen zijn inmiddels zo belastend voor de wereld, dat we daarvan geen steun meer kunnen verwachten. Laten we epidemieën en hongersnoden, oorlogen en aardbevingen beschouwen als instrumenten waarmee flink wordt gesnoeid in de weelderigheid van het menselijk ras.’ Dat schreef de kerkvader Tertullianus (160-230) in zijn essay ‘De Ziel’. De mensenmassa’s die volgens Tertullianus over de zwaar belastte wereld krioelden, kwamen in die tweede eeuw overigens nog maar amper uit boven de 190 miljoen, vergelijkbaar met de huidige bevolking van een land als Brazilië.

In 1798, blies Thomas Robert Malthus (1766 –1834) dominee en zelfbenoemd misantroop, de ideeën van Tertullianus nieuw leven in. Dat deed hij met zijn ‘Essay on the Principle of Population’ een boekje dat vandaag weer doorklinkt in de ideeën van Jeffrey Sachs over bevolkingsgroei. Malthus leefde in een tijd dat het eerste miljard aan mensen nog moest worden bereikt, maar hij was al net zo somber als zijn Romeinse voorganger. Zijn boodschap was even simpel als helder. De bevolkingsgroei zal het altijd afleggen tegen de groei van de landbouwopbrengsten.

Malthusiaanse catastrofes. Luke Fildes (1843-1927) schilderde zieken, wachtend om te worden opgenomen in een hospitaal in Londen. Tate Gallery Londen.

 

Hongersnoden zijn volgens Malthus niet minder dan een natuurlijke correctie op het menselijke verschijnsel. En zo’n ‘malthusiaanse catastrofe’ is louter een natuurlijk correctiemiddel om een overbevolkte samenleving weer in evenwicht te brengen. We zijn dan ook dwazen, betoogt Malthus, wanneer we willen voorkomen dat mensen van honger sterven.

We moeten juist het omgekeerde doen. We dienen het sterven te vergemakkelijken, ja, we moeten de vernietiging van mensen expliciet bevorderen. Malthus: ‘Nu vertellen we de armen om hygiënisch te leven, maar het is veel verstandiger om hen dat sterk af te raden. In onze steden moeten wij de straten eerder smaller dan breder maken. We moeten meer mensen samenproppen in hun woningen en ervoor zorgen dat epidemieën als de pest weer kunnen keren. Wanneer we dorpen bouwen, dan kunnen we dat het beste doen in de buurt van stilstaand water. Het meest verstandig zou zijn om mensen te huisvesten in ongezonde en moerassige gebieden. Boven alles komt het er echter op aan om helemaal niets te doen wanneer onder hen verwoestende ziektes uitbreken.’

Moderne ecologen hanteren vaak het beeld van bacteriën in een petrischaaltje. Zoals bacteriën zich vermeerderen tot hun voedingsstoffen op zijn en de hele populatie in een klap ten onder gaat, zo vergaat het ook de mensheid zodra wij over onze planetaire grenzen gaan. Een andere populaire metafoor is die van kanker. Tumoren kunnen zich voor lange tijd onopgemerkt ontwikkelen en uitzaaien tot ze uiteindelijk te groot en te massaal zijn nog te worden teruggedrongen, waarna het hele lichaam wordt verwoest.

De kankermetafoor –The World Has Cancer and the Cancer is Man- werd populair dank zij het tweede grote rapport van de ‘Club van Rome’ uit 1974 ‘Mankind at the Turning Point’. Het is een rapport in de lijn van Tertullianus en Malthus, waarin meer nog dan inet als in het beruchte eerste rapport van de Club wordt gewaarschuwd voor het uitputten van energiebronnen, voor de vernietiging van de natuur en voor oprukkende hongersnoden. Het zijn problemen die uiteindelijk allemaal kunnen worden terug gevoerd tot dat ene, allesomvattende probleem van de bevolkingsgroei.

Bioloog en milieuactivist Paul Ehrlich, een van de grootste alarmisten wanneer het gaat over bevolkingsgroei, waarschuwde in 1968: ‘Er zijn teveel mensen, er is teveel vervuiling’. ‘Doe er iets aan, anders zijn we op weg om te worden uitgeroeid’. (Bron: The Population Bomb)

 

Maar het was de Amerikaanse bioloog Paul Ehrlich die de metafoor dat bedacht dat wij, mensen, niet meer zijn dan ‘kankercellen’ in een verder gezonde natuurlijke omgeving. Hij introduceerde het beeld in zijn ooit razend populaire boek ‘The Population Bomb’ (1968). ‘Kanker is een ongecontroleerde vermenigvuldiging van cellen. Wanneer je alleen de symptomen van kanker bestrijdt, dan voelt het slachtoffer zich aanvankelijk een stuk beter, maar uiteindelijk sterft hij – vaak op gruwelijke wijze. Het zelfde noodlot staat de wereld te wachten nu deze een bevolkingsexplosie ondergaat en waarvan alleen de symptomen worden behandeld. Daarom moeten wij onze inspanningen verschuiven van het behandelen van de symptomen naar het wegsnijden van de kanker. De hele operatie vereist wrede en harteloze besluiten. De pijn zal dan ook enorm zijn. Maar de ziekte heeft zich zo ver ontwikkeld dat de patiënt alleen door een radicale operatie een kans heeft om te overleven.’

Net als Tertullianus en Malthus is ook Ehrlich volstrekt open over de methodes die moeten worden toegepast om ‘de menselijke kanker’ weg te snijden: ‘Wat we nodig hebben is verplichte geboorteregulering, onder meer door tijdelijk chemicaliën aan het drinkwater of het voedsel toe te voegen die mensen onvruchtbaar maken. De hoeveelheden moeten zorgvuldig door de overheid worden vastgesteld om daarmee de ideale omvang van gezinnen vast te stellen.’

En dan is er nog de Franse oceanograaf Jacques Cousteau (1910–1997), schrijver van vijftig boeken en maker van 120 documentaires over het leven onder water. Cousteau voerde actie tegen het dumpen van radioactief afval in de Middellandse Zee en won een Gouden Palm met zijn prachtige documentaire Le Monde du Silence. en sprak de internationale gemeenschap toe tijdens de  beroemde milieuconferentie van Rio in 1992. Door John Denver werd hij bezongen in het lied Calypso, en door Jean Michel Jarre in het album ‘Waiting for Cousteau’.

In 1991 gaf Cousteau een interview aan het tijdschrift ‘UNESCO Courier’. In dat vraaggesprek vertelde hij dat hij zich rond 1975 zorgen begon te maken over de snelle bevolkingsgroei. Op dat moment telde de wereld vier miljard mensen. Nieuwsgierig naar de overlevingskansen van een alsmaar toenemende wereldbevolking, bouwde Cousteau vervolgens een wiskundig model rond de leefstijl van de gemiddelde Amerikaan. Hoeveel mensen op aarde zouden ooit van deze hoge levensstandaard kunnen genieten?

‘Ontvolking moet de eerste prioriteit zijn van het Amerikaanse buitenlandse beleid in de Derde Wereld’, meende Henry Kissinger (Brond: Brewda, 1995)

 

Het cijfer dat uit de berekeningen rolde, was niet meer dan 700 miljoen, zo vertelde Cousteau tijdens het interview. ‘Zeven honderd miljoen mensen zijn wereldwijd in staat om een leven te leiden zoals de gemiddelde Amerikaan dat nu kan. (…) Sinds dat moment ben ik geobsedeerd door het probleem van de bewoonbaarheid van de planeet. Vandaag staat de teller op 5,7 miljard mensen. Een aantal dat razendsnel stijgt. Elke zes maanden wordt een bevolking zo groot als die van Frankrijk aan dit aantal toegevoegd.’ ‘Iedereen is ervan overtuigd dat de bevolking niet op deze anarchistische, kankerachtige manier kan blijven groeien.

’Wat moeten we doen om een einde te maken aan lijden en ziektes?’ vroegen de interviewers vervolgens, die blijkbaar niet doorhadden wat de consequentie van Cousteaus redenering was. ’Een einde maken aan lijden en ziektes’, zei Cousteau, ‘dat klinkt prachtig, maar waarschijnlijk pakt het op lange termijn slecht uit.  Als we dat proberen uit te voeren, brengen we de toekomst van onze soort in gevaar. Het is vreselijk om dit te zeggen. Maar willen we de wereldbevolking stabiliseren, dan zullen we 350.000 mensen per dag moeten elimineren. Dit is zo verschrikkelijk om te bedenken, dat we het niet eens willen zeggen.’

Maar ze zeiden het wel degelijk, Malthus, Ehrlich en Cousteau. En hun boodschap werd gehoord. In Indonesië en Peru, in India, in China en in de Verenigde Staten. In zijn onthutsende boek ‘Merchants of Despair’ uit 2012 laat de Amerikaanse auteur Richard Zurbin haarfijn zien hoe de boodschap van Malthus, Ehrlich en de Club van Rome het leven verwoestte van honderden miljoenen mensen.

‘Het voeden van een hongerig kind, verergert het bevolkingsprobleem’, aldus de populaire Amerikaanse Ecoloog LaMont Cole. (Bron: Bomquist, 2007)

 

Soms werden hun ideeën direct overgenomen. Dat gebeurde bijvoorbeeld in communistisch China tijdens de beruchte ‘een kind campagne’ tussen 1980 en 1985. Zurbin: ‘Vrouwen werden onder grote druk gesteriliseerd. Baby’s werden tot en met de negende maand geaborteerd. Menige baby huilde terwijl hij vlak na zijn geboorte werd doodgestoken. Vrouwen die met hun baby probeerden te vluchten, werden opgejaagd. Wanneer ze niet konden worden gepakt, werden hun huizen verwoest en hun ouders in de gevangenis gegooid.’

Naar schatting werden alleen al in het jaar 1983 14 miljoen baby’s onder dwang geaborteerd en meer dan 34 miljoen vrouwen en 4 miljoen mannen onvruchtbaar gemaakt. De ideologische grondslag voor de campagne werd volgens Zurbin geleverd door ene Song Jian, een hoge Chinese ambtenaar die de alarmistische rapporten van de Club van Rome vertaalde en daarmee partijleider Deng Xiaoping wist over te halen tot zijn bevolkingspolitiek.

In buurland India waren het daarentegen de Verenigde Staten die een afzwakking van de bevolkingsgroei afdwongen. In ruil voor Amerikaanse noodhulp tijdens hongersnoden, steriliseerde India in de jaren ’70 miljoenen vrouwen in speciaal daarvoor ingerichte sterilisatiekampen. Hoogtepunt van het Indiase programma was 1978, toen maar liefst 8 miljoen vrouwen onder het mes werden gedwongen. Opstanden onder de Indiase bevolking werden met veel geweld neergeslagen.

De campagnes, hoe wreed ook, hadden effect. De bevolkingsgroei in India en China nam inderdaad af. Maar ze nam niet sneller af dan in landen waar de overheid zich niets aantrok van de onheilsprofeten en hun aanbevelingen.

Officieel is de een-kind-politiek in India niet meer van kracht. Toch worden vrouwen nog steeds aangemoedigd zich onvruchtbaar te laten maken. Soms gaat het mis. Overleden Indiase vrouwen, na een sterilisatie in 2014. (Bron: BBC)

 

Wie vreest voor een wereldbevolking van tien miljard mensen, gaat doorgaans uit van een statische werkelijkheid. Van een wereld die eenvoudigweg niet voldoende in petto heeft om zoveel mensen in leven te houden. De hoeveelheid vruchtbare aarde, zoet water en schone lucht lijkt nature zo vast te liggen, dat elk nieuw leven een drama is en elke dode een verlossing. Het kan dan ook niet anders, of op een door natuurlijke grenzen beperkte planeet is elke mens een vijand van zijn medemens, en is elk volk een bedreiging voor een ander volk. Wanneer de bevolking van China en India groeit, moet dat wel ten koste gaan van Europa en de Verenigde Staten. Denken in termen van bevolkingsgroei binnen door de natuur vastgestelde grenzen, betekent uiteindelijk een oorlog van allen tegen allen.

Wie uitgaat van een door de natuur begrensde planeet, is vaak bereid tot het vragen van grote offers. Hij vraag ons tot het huisvesten van mensen nabij giftige moerassen. Tot het terughalen van de pest. Tot het wegsnijden van mensen als kankercellen en bacteriën. Tot het vergiftigen van voedsel en drinkwater om mensen onvruchtbaar te maken. Tot het elimineren vijf miljard mensen om er 700 miljoen te redden. En vanzelfsprekend zijn het altijd de anderen, de armsten, die het recht op leven wordt ontzegd. Theo stond, kortom, niet alleen met zijn pleidooi om miljoenen Malawianen in rust en vrede te laten sterven.

De vraag: ‘hoeveel mensen kan de aarde hebben?’ sluimert onder alle onderwerpen die de milieubeweging zo dwingend op onze agenda zet: landbouw, energie, klimaatverandering, fosfaten, biodiversiteit. En, doorgaans onuitgesproken, sluimert daaronder weer de vraag: hoeveel mensen mogen niet worden geboren of zouden moeten sterven om binnen de grenzen van onze planeet te blijven?

Het is niet alleen een immorele vraag. Het is ook een problematische vraag. Want in tegenstelling tot wat Jeffrey Sachs zo onbekommerd schrijft, bestaan er geen ‘echte natuurlijke planetaire grenzen’. Sinds het aantreden van de mens, zo’n 200 duizend jaar geleden, brak hij meteen met de grenzen die de natuur hem leek op te leggen. Anders dan bacteriën, wolven of dinosaurussen, maakten mensen speren, valstrikken en vuur. Ze ontwierpen ploegen, irrigatiekanalen en kunstmest. En ze schiepen luchtwassers, ontziltingsinstallaties en genetisch gemodificeerde mais.

Ze deden dingen die natuurlijke wezens nooit zouden doen. Met al hun inventiviteit en creativiteit creëerden mensen telkens weer de voorwaarden voor een nog grotere, rijkere en gezondere groep mensen. Met de komst van de mens werden als ‘natuurlijk’ begrepen grenzen telkens weer verlegd. De natuur die Tertullianus, Malthus, of Theo dachten aan te treffen, was dan ook niet meer of minder dan een cultuur die bezig was zich aan te passen aan een wederom grotere groep mensen.

Ook in Afrika is de intensieve landbouw in opkomst. Ook hier anticiperen mensen op de bevolkingsgroei door op een meer effectieve wijze voedsel te produceren. Kippenfarm in Kenia. (Bron: EcoChicks)

 

‘Precies hier vinden we het verschil tussen het dier en de mens’, schreef Henry George in ‘Progress and Poverty’ uit 1879, een even lucide als vernietigende analyse van het Malthusiaanse denken. ‘Zowel de havik als de mens eet kippen. En hoe meer haviken er zijn, des minder kippen er over blijven. Maar hoe meer mensen er komen, hoe meer kippen er zullen zijn.’ En zo is het nog steeds.

Mensen zijn niet louter de consumenten van datgene wat ze aantreffen. Nog minder zijn wij de vernietigers ervan. Mensen zijn op de eerste plaats de producenten van hun omgeving. Zodra wij besluiten om de walvissen te redden, dan redden wij ook de walvissen. Wanneer we menen om te moeten schakelen van kolen op gas of zonne-energie, dan schakelen we om. Wanneer wij vrezen huidkanker te krijgen door de verdwijnende ozonlaag, dan verbieden we de drijfgassen die het ozongat veroorzaken.

Begrippen als ‘planetaire grenzen’, ‘ecologische voetafdruk’ ‘draagvermogen van de aarde’ of ‘World Overshoot Day’ kunnen alleen bestaan omdat de bedenkers ervan zich nooit hebben afgevraagd waarom de wereld op alle fronten zo vooruitging, hoe wetenschappelijk de rekensommen van Malthus of Jacques Cousteau ook lijken.

Wat je deze mannen kunt verwijten, is niet zozeer dat ze zo’n slechte voorspellingen deden. Het is dat ze zo slecht hun geschiedenis kenden. Tertullianus had kunnen weten dat het Romeinse Rijk in zijn tijd een van de rijkste en best georganiseerde samenlevingen was die Europa ooit had gekend. Ehrlich en Cousteau maakten hun berekeningen notabene in de jaren ’60, in een tijd dat de Groene Revolutie in Azië een definitief einde maakte aan traditionele hongersnoden. En Malthus werd na de publicatie van zijn essay al zwaar bekritiseerd door humanisten als Florence Nightingale, Charles Dickens, Henry George en Friedrich Engels.

De Groene Revolutie zorgde er sinds de jaren ’60 voor dat de landbouwopbrengsten meer dan verdubbelden. Dat lukte zonder meer grond te gebruiken. Dus ondanks de snel groeiende landbouwproductie, werd de natuur gespaard. (Bron: FAO)

 

Niet alleen wezen zij op de onmenselijke consequenties van het Malthusiaanse denken. Iemand als Friedrich Engels vroeg zich ook af of het überhaupt wel was aangetoond dat de bevolking per definitie harder groeide dan de landbouwopbrengsten. ‘Weliswaar’, schreef Engels in 1844, ‘neemt de bevolking toe, terwijl de omvang van het landbouwareaal gelijk blijft. Maar het aantal mensen dat van deze landbouwgrond leeft, neemt eveneens toe, samen met de groeiende bevolking. Dat had Engels scherp gezien. Niet de toename van voedsel laat het aantal mensen groeien. De groei van het aantal mensen maakt het mogelijk om meer voedsel te verbouwen.

De ‘negen echte natuurlijke grenzen’ die Jeffrey Sachs zo vrolijk overneemt van Johan Rockström zijn a-historische constructies van milieukundigen, ecologen en biologen. En niet van sociologen, economen of archeologen. Zij zouden Rockström en de zijnen haarfijn kunnen uitleggen dat elke generatie op grenzen stuit. En dat het de meeste generaties vervolgens lukt om die grenzen verder te verschuiven en vooruitgang te boeken. We zijn nu eenmaal creatieve, nadenkende en ondernemende schepselen en geen hersenloze kankercellen of blinde bacteriën in een petrischaaltje.

Ecologen en biologen lijken echter maar amper in staat om buiten hun petrischaaltjes of lichamen te denken. Hardnekkig houden zij vast aan de idee dat wij ooit binnen natuurlijke grenzen leefden en dat we na een enorme ramp weer binnen die grenzen terug zullen keren.

Voor hen is bevolkingsgroei per definitie een probleem, of we nu met 190 miljoen, een miljard of tien miljard mensen op aarde zijn. Maar er waren geen natuurlijke grenzen, er zijn geen natuurlijke grenzen en waarschijnlijk zullen er ook nooit natuurlijke grenzen zijn. Er is louter dynamiek, verandering. Alles stroomt. En er is niets dat hetzelfde blijft.

 

Leave a Reply

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.

single.php